Du holde Kunst - over de liedkunst

Du holde Kunst zijn de eerste woorden van An die Musik, een van de mooiste en meest bekende Schubert-liederen. An die Musik gaat over de troost die de ‘holde Kunst’ (hold, uit te spreken met een korte ‘o’ als in ‘hol’). Hold betekent volgens Van Dale alleen lieflijk, maar in de Duden vinden we ook als tweede betekenis genadig, dienstbaar, goed gezind. In de Duitse literatuur worden hold en lieblich ook wel samen gebruikt, dus waarschijnlijk zingt de tweede betekenis mee in de eerste.*

Du holde Kunst werd op vrijwel iedere Schubertiade gezongen en is het laatste Schubert-lied dat Fritz Wunderlich uitgevoerd heeft, kort voor zijn veel te vroege dood. Het is ook de titel van een boek van Maarten ‘t Hart, dat op zijn beurt echter weer zijn titel ontleend heeft aan het Schubert-lied.

Op deze site is de lieflijke kunst waaraan gerefereerd wordt, de liedkunst. De term liedkunst klinkt een beetje ouderwets, maar het zal duidelijk zijn dat het hier om kunst en liederen gaat. Het is echter niet zozeer de kunst van het zingen van liederen, als wel die van het zingen van kunstliederen, van liederen die tot de kunst gerekend worden. Vrijwel altijd zijn dat liederen uit de klassieke muziek en voor het overgrote deel stammen ze uit de romantiek.

Lees verder >>>

 

Du holde Kunst - over de liedkunst

Vocaal vuurwerk bij
Nieuwjaarsconcert IVC

foto gemaakt tijdens het slotduet met de volkomen geluidloze Nikon V1 en de Nikkor 1,4/50G, foto (c) Dré de Man

Lieder ohne Worte zijn heel gewoon – voor alle musici behalve zangers. Zangers zijn altijd bezig met woorden. De beste liedzangers houden ervan omdat ze een verhaal willen vertellen. Anderen houden niet zo van woorden omdat ze bij het zingen vaak in de weg zitten met klinkers en medeklinkers op heel lastige plaatsen. Toch hebben ook zij er voordeel van.

Met een lied zonder woorden is het moeilijker iemand te raken: er ontbreekt een dimensie en de zanger moet de inspiratie helemaal uit de muziek halen. De taal van de muziek is heel krachtig maar alleen voor diegenen die hem verstaan: velen hebben woorden en aanwijzingen nodig om de muziek te laten spreken. Daar komt nog bij dat instrumentale muziek vrijwel altijd meerstemmig is.
Bij Rachmaninovs vocalise opus 34 nr. 14 speelt de piano speelt slechts een heel bescheiden rol en voegt muzikaal weinig toe. Hier is de vocalist in feite volkomen aan zichzelf overgeleverd, op wat aanwijzingen in de partituur na die voor de herhaalde delen ook nog eens identiek zijn. Gulnura Shafigullina wist met de abstracte noten ondanks de ontbrekende woorden een wereld op te roepen.

Toch waren de Rachmaninov-liederen en de opera-aria’s nog indrukwekkender. De zachte noten in de  herhaling van opus 4 nr. 4 (Zing niet, schoonheid :) ) bijvoorbeeld hadden iets zeldzaam aangrijpends. Daarmee wil ik niet wil zeggen dat Shafigullina’s forte topnoten mij onberoerd lieten, net als tijdens de finales van het ivc overigens. Shafigullina won daar overigens in 2012 in de finale de opera-prijs.

Ontroering als recensiecriterium is altijd gevaarlijk, net zoals schoonheid, want subjectief. Objectief kon je in ieder geval ook vaststellen dat hier op ontzettend hoog niveau gemusiceerd werd: een stem die van hoog tot laag van pianissimo tot fortissimo vrijwel altijd alles doet wat Gulnara wilde. Wàt ze wilde gaf weer blijk van een zeer goed tekst- en muziekbegrip. Een voorrecht ook om iemand op een zo vroeg moment in haar carrière zo te mogen horen zingen.  

De voor de eveneens IVC-2012-finalist Peter Gijsbertsen ingevallen tenor Gevorg Hakobjan haalde de finales in 2012 niet, maar bleef steken in de kwartfinale. Ook dat is een uitstekende prestatie bij dit concours van wereldniveau, maar het is toch een ander niveau dan dat van Shafigullina. Misschien is het ook nog een beetje te vroeg om een oordeel over hem te vellen. Vooral bij tenoren verandert de stem ook tot zelfs voorbij hun dertigste nog, doordat het kraakbeen van de larynx nog verhardt. Zijn top van de passagio zit nu nog op een a4, wat betekent dat hij vrijwel alle noten van het tenor-repertoire in zijn lage en middenregister kan zingen. Dat is nogal ongebruikelijk voor iemand die geen tenorino is. Het voordeel daarvan was bijvoorbeeld heel goed te horen aan het gemak waarmee hij Lenski’s aria uit Jevgeni Onegin zong. Aan de andere kant misten de lagere noten wat kern. Ik ben zeer benieuwd hoe hij zich verder ontwikkelt.

Vooral Hakobjan had het nadeel dat hij in een vrij kleine zaal zong. In zo’n geval hoor je meer boventonen dan in een grotere zaal en daardoor kan de klank wat scherp overkomen. Ook dat is subjectief: de een luistert daar misschien overheen of hoort de hoogste tonen wat zachter dan de ander. Beethovens Adelaide leed daar nog het meeste onder, ook al omdat de op het laatste moment voor Peter Ghijsbertsen ingesprongen Hakobjan daar nog niet helemaal op zijn gemak was. Het had er afgezien daarvan ook alle schijn van dat zijn hart veel meer bij opera-aria’s ligt dan bij liederen.

Shafigullian's stem is groter dan die van Hakobjan dus ze zou theoretisch meer last van de niet al te grote zaal moeten hebben, maar dat bleek niet het geval. Bij haar was het eerder een verschil in accenten: in een grotere zaal was het nog mooier geweest maar het werd nooit te scherp. Bovendien maakte ze meer gebruik van mezzopiano en piano en die klanken deden het ook heel goed in een kleinere zaal.

De avond werd afgesloten met het duet ‘O soave fanciulla’ uit La Bohème. Hier kwam ook Hakobjan tot zijn recht en deze uitvoering zou ook in een beroemd operatehuis op zijn plaats geweest zijn, zeker voor het sopraan-aandeel. Bij beide zangers is het de moeit waard om ze op een later tijdstip te horen, bij Shafigullina zou ik zelfs willen zeggen: laat u geen kans voorbijgaan haar te beluisteren.

Bewerking van een detail van het manuscript van 'An die Musik' met de woorden 'Du holde Kunst' in het handschrift van Schubert

Agenda:

(ook via Twitter)

Dinsdag 8 januari, 20.15: Miah Persson, sopraan, Joseph Breinl, piano: o.a Mahler en Strauss, Concertgebouw kleine zaal

 

 

: